Oefeningen diagrammen

Bij gegevens moet je zelf een frequentietabel op kunnen stellen. Frequentie betekent hoe vaak iets voorkomt. In de groene vakjes staan het aantal kinderen in een gezin. Bekijk of je zelf tot de juiste frequentietabel kunt komen (kolom 1 en 2 / F en G) en of je ook de relatieve frequentie kunt berekenen (kolom 3 / H).

Soms vragen ze je bij een frequentietabel het gemiddelde uit te rekenen. Hieronder staat beschreven hoe dit in zijn werk gaat. Zoek eens uit of je dit zelf ook kunt.

Maak bij de gegevens steeds een frequentietabel en bepaal dan de modus en het gemiddelde. Via de aanvinkhokjes kun je steeds je antwoord controleren. Door op de balk “nieuwe tabel” te klikken krijg je een nieuwe opdracht. De mediaan volgt in leerjaar 2.

In het hoofdstuk over diagrammen hebben we onder andere het steelbladdiagram gezien. Probeer hieronder zelf een steelbladdiagram bij de gegevens te maken. Let op! Het gaat hier over tientallen en eenheden. (Het zou in een ander geval ook over eenheden en tienden kunnen gaan)

Een ander voorbeeld van een diagram is een cirkeldiagram. Probeer eens of je bij deze gegevens zelf een cirkeldiagram kunt maken. Het is daarbij belangrijk dat je weet hoe je de sectorhoeken moet bepalen.